Grondwaterverordening provincie Utrecht 1998

Besluit van provinciale staten van Utrecht van 4 maart 1998, houdende vaststelling van de Grondwaterverordening provincie Utrecht 1998

Geldig sinds 15 september 1998. Versies

Inhoud van deze regeling

Besluit van provinciale staten van Utrecht van 4 maart 1998, Provinciaal blad. 29 van 1998, houdende vaststelling van de Grondwaterverordening provincie Utrecht 1998.

Provinciale staten van Utrecht,

Op het voorstel van gedeputeerde staten van 20 januari 1998, W&M/MNG, 1998WEM000092i;

Gelet op de artikelen 11, derde lid, 15, eerste lid, 15a, eerste lid, 16, tweede lid, en 20, derde lid, van de Grondwaterwet;

Gezien het advies van de provinciale commissie voor milieubeheer en waterhuishouding (vergadering van 10 februari 1998);

Besluiten:

Algemeen.

Artikel 1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. de wet: de Grondwaterwet;
  • b. pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting;
  • c. grondsanering: het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van de bodem;
  • d. grondwatersanering: het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van het grondwater;
  • e. de commissie: de provinciale commissie voor milieubeheer en waterhuishouding, bedoeld in artikel 2.1 van de Provinciale milieuverordening Utrecht 1995 (1).

Uitzondering vergunningsplicht.

Artikel 2.

Een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet is niet vereist voor het onttrekken van grondwater:

  • a. in de gevallen waarin de te onttrekken hoeveelheid 10 m3 of minder per uur en 12.000 m3 of minder per kwartaal bedraagt.
  • b. door middel van inrichtingen voor noodvoorzieningen voor zover deze uitsluitend of nagenoeg uitsluitend worden gebruikt voor buitengewone omstandigheden.

Algemene regels.

Artikel 3.

  • 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet is niet vereist voor het onttrekken van grondwater in de hierna genoemde gevallen:
  • a. inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken niet zijnde inrichtingen als bedoeld onder b, en inrichtingen die ten behoeve van grondsanering grondwater onttrekken, voor zover de pompcapaciteit 100 m3 per uur of minder is en de onttrekking niet langer duurt dan zes maanden;
  • b. inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor het drooghouden van sleuven ten behoeve van de aanleg van riolering, kabels en leidingen, voor zover de onttrekkingscapaciteit 50.000 m3 per maand of minder is en de onttrekking niet langer duurt dan zes maanden;
  • c. inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor grondwatersanering, voor zover de pompcapaciteit 25 m3 per uur of minder is en de onttrekking niet langer duurt dan vijf jaar;
  • d. inrichtingen die bij wijze van proef grondwater onttrekken, voor zover de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 100.000 m3 per maand en de onttrekking niet langer duurt dan zes maanden;
  • e. inrichtingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend worden gebruikt voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden, voor zover de pompcapaciteit 60 m3 per uur of minder is, met uitzondering van beregeningen of bevloeiingen voor de glastuinbouw;
  • 2. Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing op inrichtingen, gelegen in of binnen 100 meter van een natuurmonument als bedoeld in artikel 7 of artikel 21 van de Natuurbeschermingswet of gelegen in of binnen 100 meter van een gebied met hydrobiologisch waardevolle wateren zoals aangegeven op door gedeputeerde staten vast te stellen kaarten.

Artikel 4.

  • 1. Voor de in artikel 3, eerste lid, onder a en b bedoelde gevallen, gelden de volgende algemene regels:
  • - het onttrekken van grondwater mag alleen plaatsvinden vanuit het eerste watervoerend pakket;
  • - het onttrekken van grondwater is niet toegestaan door middel van een onttrekkingssysteem waarvan de onderkant van de filter(s) of bron(nen) zich dieper dan 9 meter beneden het maaiveld bevindt;
  • - de verlaging van de grondwaterstand of van de stijghoogte van het grondwater bij het drooghouden van bouwputten of sleuven mag niet meer zijn dan 30 cm beneden het kritische punt van de bouwput of de sleuf;
  • - indien bij een sleufbemaling een filterbemaling wordt toegepast mag de maximaal te bemalen sleuflengte niet meer dan 100 meter bedragen.
  • 2. Voor de in artikel 3, eerste lid, onder e bedoelde gevallen, gelden de volgende algemene regels:
  • - het onttrekken van grondwater is niet toegestaan indien in voldoende mate van oppervlaktewater gebruik kan worden gemaakt;
  • - het onttrekken van grondwater uit het tweede watervoerend pakket is niet toegestaan indien in voldoende mate van grondwater in het eerste watervoerend pakket gebruik kan worden gemaakt;
  • - gedeputeerde staten kunnen het onttrekken van grondwater verbieden indien zich een situatie van extreme droogte voordoet.
  • 3. Voor de in artikel 3, eerste lid onder a, b, c en d bedoelde gevallen geldt dat, indien het onttrokken grondwater door middel van retourbemaling in de bodem wordt teruggebracht, de kwaliteit van het te retourneren water zodanig moet zijn dat de kwaliteit van het grondwater binnen het infiltratiegebied daardoor niet nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 5.

Gedeputeerde staten kunnen de in de artikelen 2 en 3 voorgeschreven waarden lager stellen voor gebieden waar volgens het provinciale plan voor de waterhuishouding, bedoeld in artikel 7 van de Wet op de Waterhuishouding, bijzondere waakzaamheid is geboden.

Registratieplicht.

Artikel 6.

De in artikel 11, eerste lid, van de wet bedoelde verplichting inzake registratie geldt niet voor de inrichtingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3.

Artikel 7.

  • 1. Gedeputeerde staten schrijven een inrichting die niet ingevolge artikel 11 van de wet blijkt te zijn opgegeven ambtshalve in in het openbare register, bedoeld in artikel 13 van de wet, onverminderd artikel 1a, 3e, van de Wet op de economische delicten ten aanzien van de houder van de inrichting.
  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 6 kunnen gedeputeerde staten de houder van de in de artikelen 2 onder a. en 3 bedoelde inrichtingen verplichten om de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken op een door hun college aan te geven wijze te meten en te registreren.

Meldingsplicht.

Artikel 8.

  • 1. De houder van een inrichting waarvoor de verplichting inzake registratie niet geldt, meldt de inrichting schriftelijk bij gedeputeerde staten uiterlijk twee weken voor de aanvang van de onttrekking.
  • 2. Bij de melding worden de volgende gegevens overgelegd:
  • a. een aanduiding van de plaats waar de inrichting is gelegen;
  • b. een opgave van de pompcapaciteit van de inrichting, alsmede een raming van de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater per maand, per kwartaal en per jaar;
  • c. het doel van de onttrekking;
  • d. de diepte waarop de onttrekking plaatsvindt;
  • e. de datum waarop de onttrekking aanvangt;
  • f. de duur van de onttrekking.
  • 2. Gedeputeerde staten kunnen opgave van nadere en andere gegevens voorschrijven.

Artikel 9.

Indien de pompcapaciteit van de inrichting wordt vergroot of wanneer anderszins wijziging optreedt in de gemelde gegevens, meldt de houder van de inrichting dat terstond aan gedeputeerde staten.

Artikel 10.

Gedeputeerde staten houden een meldingenlijst bij waarop de in artikel 7 bedoelde inrichtingen worden ingeschreven met vermelding van de verstrekte gegevens. De meldingenlijst is openbaar.

Bij de vergunningaanvraag te overleggen gegevens.

Artikel 11.

  • 1. Bij een aanvraag om vergunning voor het onttrekken van grondwater of infiltreren van water worden de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
  • a. één of meer kaarten op zodanige schaal, dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de bestaande of geprojecteerde inrichting dan wel de infiltratie waar de aanvraag betrekking op heeft en van het gebied binnen een afstand van 100 meter daarvan;
  • b. een beschrijving van de bestaande of geprojecteerde inrichting dan wel de infiltratie, waarbij wordt vermeld: met betrekking tot een inrichting:
  • - de maximaal te onttrekken hoeveelheid grondwater per uur, per etmaal, per maand, per kwartaal en per jaar, te splitsen naar de bestaande of de geprojecteerde inrichting;
  • - het doel;
  • - de wijze waarop het opgepompte grondwater zal worden geloosd; met betrekking tot infiltratie:
  • - de maximaal te infiltreren hoeveelheid water per uur, per maand, per kwartaal en per jaar, te splitsen naar de bestaande of de geprojecteerde inrichting;
  • - het doel;
  • - de herkomst en de samenstelling van het te infiltreren water.
  • 2. Bij de aanvraag dient voorts een inzicht te worden gegeven in:
  • - de diepte van de onderkant van het filter of de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld;
  • - de pompcapaciteit van de inrichting;
  • - de bodemgesteldheid;
  • - de stand van het grondwater binnen het berekende invloedsgebied van de inrichting of de infiltratie en van de omgeving daarvan;
  • - de gevolgen van de onttrekking of de infiltratie voor de stand van het grondwater;
  • - de gevolgen voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen.
  • 3. Bij een aanvraag tot wijziging van een vergunning worden de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens en bescheiden overgelegd voor zover zij op de wijziging betrekking hebben.
  • 4. Gedeputeerde staten kunnen opgave van nadere en andere gegevens voorschrijven.
  • 5. Gedeputeerde staten kunnen voorschriften geven omtrent de wijze waarop de nodige onderzoekingen worden verricht.
  • 6. Voor de aanvraag wordt gebruik gemaakt van een door gedeputeerde staten verstrekt formulier.

Advies commissie.

Artikel 12.

De commissie wordt niet in de gelegenheid gesteld van advies te dienen over het ontwerp van de beschikking op een aanvraag om vergunning indien het aangevraagde naar de mening van gedeputeerde staten in overeenstemming is met het Waterhuishoudingsplan provincie Utrecht, tenzij het betreft het verlenen van een vergunning voor:

  • a. een onttrekking voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken en inrichtingen ten behoeve van ontgravingen van verontreinigde grond van 1.000.000 m3 of meer per jaar dan wel een uitbreiding daarvan;
  • b. een andere onttrekking van 500.000 m3 of meer per jaar of een infiltratie van die omvang dan wel een uitbreiding daarvan.

Buiten gebruik stellen van een inrichting of werk voor infiltratie.

Artikel 13.

  • 1. Van het buiten gebruik stellen van een inrichting of een werk voor infiltratie, doet de houder daarvan terstond schriftelijk mededeling aan gedeputeerde staten.
  • 2. Bij het definitief buiten gebruik stellen of verlaten van de tot die inrichting of dat werk behorende put of putten wordt in de blinde delen van de put een degelijke kleiafdichting van 0,5 m beneden tot 0,5 m boven de aangetroffen slecht doorlatende lagen aangebracht. Ter hoogte van de zandlagen wordt schoon aanvulzand aangebracht. Aan de bovenzijde van de 1,5 m beneden maaiveld te verwijderen buis wordt een kleiprop van 1 m aangebracht.

Strafbepaling.

Artikel 14.

Overtreding van artikel 8 of 9 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie weken of geldboete van de eerste categorie.

Overgangs en slotbepalingen.

Artikel 15.

  • 1. De Grondwaterverordening provincie Utrecht 1983 (2) wordt ingetrokken.
  • 2. Op aanvragen om verlening of wijziging van een vergunning, gedaan voor de inwerkingtreding van deze verordening, wordt beslist met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde verordening.

Artikel 16.

In de Verordening grondwaterheffing provincie Utrecht 1986 (3) wordt in het eerste lid van artikel 5, na de woorden "De heffing wordt", de volgende zinsnede ingevoegd:, vanaf de aanvang van de onttrekking,.

Artikel 17.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1997.

Artikel 18.

Deze verordening wordt aangehaald als: Grondwaterverordening provincie Utrecht 1998.

Uitgegeven, 14 september 1998

Noten:

  • 1. Prov. blad 8, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 juni 1996, prov. blad 44.
  • 2. Prov. blad 1984, 11, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 november 1993, prov. blad 1994, 53.
  • 3. Prov. blad 36, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 november 1993, prov. blad 1994, 7.

Versies van deze regeling

  • Er zijn geen andere versies.